Home Concertagenda Dirigent Koorleden Bestuur Geschiedenis Concertfoto's Componisten Overige zaken

Gabriel Fauré  1845 - 1924

Gabriel Fauré werd geboren op 12 mei 1845 in Pamiers, in zuid-Frankrijk. Hij was het zesde en laatste kind van Toussaint en Marie Fauré. Zijn jeugd was harmonisch en zijn muzikale talenten werden al vroeg duidelijk door de manier waarop hij het harmonium in de kerk en op piano's improviseerde. Maar zijn ouders vatten dat niet als iets bijzonders op. Een leraar gaf het advies naar de l'École de Musique Religieuse van Louis Niedermeyer in Parijs te gaan.

Op negenjarige leeftijd kwam Gabriel daar terecht, zich niet realiserend dat hij een belangrijke factor zou worden in de wedergeboorte van de religieuze muziek in Frankrijk. Vanaf de Franse Revolutie had de kerkmuziek in Frankrijk steeds meer kenmerken van opera en theaterwijsjes gekregen. Niedermeyer stelde zich ten doel deze ontwikkeling om te buigen door het opleiden van een nieuwe generatie organisten en koordirigenten. In deze omgeving ontving de jonge Gabriel zijn vorming.

Hij bleef elf jaar op het instituut en leerde er de vanzelfsprekende dingen die bij een muzikale opleiding horen, zoals harmonie, solfège, contrapunt, enz. Het belangrijkste onderwerp was echter orgel en piano. Zijn resultaten op het orgel waren niet bijster goed, maar aan de piano bleek zijn bijzonder talent. Hij won twee jaar achter elkaar een prijs, en in 1864 was hij een dermate uitstekende pianist dat hem verder meedoen aan de competitie werd geweigerd, omdat de uitslag dan al bij voorbaat zou vaststaan.

Het hoeft geen verbazing te wekken dat Louis Niedermeyer een vaderfiguur voor Gabriel werd. In Parijs stond hij alleen en zag zijn familie slechts met grote tussenpozen. Niedermeyer herkende het bijzondere in Gabriel en trad hem anders tegemoet dan zijn andere studenten. Het moet dan ook een verschrikkelijke slag voor Gabriel geweest zijn dat zijn mentor in 1861 plotseling overleed. Een gunstig gevolg was echter weer, dat hierdoor Camille Saint Saëns op het instituut als pianodocent werd aangesteld. Saint Saëns was slechts tien jaar ouder dan Fauré en zij deelden veel opvattingen. Daaruit ontwikkelde zich een levenslange vriendschap.

In 1865 verliet Gabriel het instituut met een eerste prijs in fuga en contrapunt. Hij werd organist in de St. Saveurkerk in Rennes. Hij verveelde zich echter stierlijk in het provinciale Rennes en werd tot zijn genoegen door Saint Saëns weer naar Parijs gehaald.

In 1870 brak de Frans-Pruissische oorlog uit. Hij werd koerier in de Keizerlijke Lichte Infanterie. Zijn grote sociale gaven kwamen hem ook hier van pas en hij maakte er veel vrienden. Tussen de krijgshandelingen door gaf hij pianorecitals. Hij ontving het Croix de Guerre. Na de oorlog keerde hij naar Parijs terug en vond werk als tweede organist in de kerk van St. Suplice, waar zijn taak was de begeleiding van het koor. Het hoofdorgel werd bespeeld door Charles-Marie Widor. Tijdens de diensten voerden beide organisten af en toe muzikale duels uit: ze improviseerden om beurten en wierpen elkaar het thema als het ware toe, bij voorkeur voorzien van een muzikale kronkel om de ander op de proef te stellen. Dit alles speelde zich af boven de hoofden van de religieuze gemeente, die zich er nauwelijks van bewust was.

Als componist had Fauré zich tot dan voornamelijk beziggehouden met het romantische lied. Zijn leraren hadden hem in contact gebracht met dichters als Hugo, Gautier en Baudelaire. Zijn vroegste liederen bevatten al kiemen van zijn originaliteit, maar ze waren nog gecomponeerd in de strenge klassieke stijl die hij op school leerde. Toch is zijn gedrevenheid om nieuwe dingen te proberen en zijn intuïtie te volgen ook in zijn vroegste werken vast te stellen. Deze geven blijk van een gestage ontwikkeling. In zijn latere liederen slaagt hij erin de betekenis van de tekst geheel in muziek te vangen. Liederen als les Berceaux en le Secret gaan een stap verder dan de dichter met woorden alleen kon. De muziek toont daar de ware essentie van het gedicht.

Een belangrijk deel van Fauré's muzikale ontwikkeling was te danken aan zijn omgang met invloedrijke vrienden, beroemdheden die hij ontmoette in de salons in Parijs. Zijn vrienden hielpen hem zijn muziek te publiceren, moedigden hem aan en hielpen hem aan teksten die hij kon gebruiken. De salons waren in die tijd dé plaats om andere muziek te horen en je werk voor publiek uitgevoerd te krijgen. Een belangrijke salon was die van Pauline Viardot. Zij trad op als Fauré's adviseur en raadde hem aan een opera te schrijven om een doorbraak te realiseren. Fauré voelde daar wel iets voor, maar slaagde er niet in een goed libretto te vinden. Het zou twintig jaar duren voor hij dit plan zou voltooien.

In 1877 werd hij, dank zij de invloed van Saint Saëns en Gounod, koordirigent van de Madeleine in Parijs. Deze kerk was een van Parijs' belangrijkste (na de Nôtre Dame), maar zijn nieuwe positie bracht ook nieuwe zorgen met zich mee. Fauré's hoofdtaak was het verzorgen van de muziek bij de diensten. Samen met het bestuur werd de muziek uitgekozen, daarna moest hij het koor en de begeleidende instrumentalisten instuderen (er wordt expres niet gesproken van een orkest, omdat het gezelschap steeds opnieuw moest worden samengesteld, wat niet weinig bijgedragen moet hebben aan Fauré's zorgen). Vrouwelijke uitvoerenden werden in die tijd niet toegestaan, zodat de sopraan en altpartijen werden gezongen door zo'n twintig jongens in verschillende toestanden van weerspannigheid. Fauré noemde deze jongens zijn ganzen.

De Madeleine was niet zozeer een kerk, als wel een plaats voor de beau monde om zich te laten zien. Na de hoogmis op zondag verzamelde zich het publiek om de kerkgangers te bewonderen en kennis te nemen van de nieuwste mode. Het was ook een geliefde plaats voor het houden van begrafenisdiensten voor belangrijke persoonlijkheden en van staatsontvangsten. Om dit alles mogelijk te maken waren rijkelijk subsidies beschikbaar.

Naast zijn problemen met de koorzangers verschilde Fauré vaak van mening met het kerkelijke establishment over de keuze van de muziek. Geheel in lijn met de profijtelijke praktijk was er de leiding veel aan gelegen het de kerkbezoekers naar de zin te maken. Daarom klonk er veel populaire, opera-achtige muziek en was er geen plaats voor echte religieuze muziek.

Deze wereldse pracht en praal moet Fauré een wat verwrongen beeld van het religieuze bedrijf hebben gegeven. Zijn eigen religieuze opvattingen waren enigszins agnostisch, zonder compleet atheïstisch te zijn. Hij weigerde echter de dogma's van de moederkerk volledig te omarmen. Deze opvatting horen we terug in zijn requiem.